
Op 16 maart 1930 staken in Nederland acht aquariumverenigingen de koppen bij elkaar, clubs met namen als Danio Rerio uit Amsterdam en Vivarium uit Eindhoven, samen goed voor welgeteld 275 leden. Het initiatief kwam van De Natuurvriend uit Den Haag, de eerste voorzitter heette H. Gijswijt, en aan het einde van de dag bestond er een Nederlandse Bond van Aquariumhouders. De reden voor al die moeite was, op de keper beschouwd, een taalkwestie: wie in die jaren iets over zijn liefhebberij wilde lezen, was aangewezen op “het Duitse Blätter en het dito Wochenschrift”, en dat waren de mannen van het eerste uur grondig beu. Ze wilden een koepel boven de clubs en een blad in de eigen taal.1
Ik geef toe dat die zin me raakte toen ik ze in de geschiedschrijving van de bond terugvond. Dit hele boek vertrekt van hetzelfde idee: een kunst leer je pas echt kennen in de taal van wie ze beoefent. De liefhebberij van de Lage Landen is uit precies die reflex geboren. Uit ergernis over andermans bladen begon men zelf te schrijven, en uit al dat schrijven groeide op de duur een eigen school van het onderwaterlandschap. Maar eerst kort het verhaal zelf, met pioniers die een dagloon neertelden voor twee visjes en met een boekhouder die het mooiste zinnetje van de hele hobby heeft bedacht. Het Belgische luik, waarin wij zelf mee aan tafel zitten, krijgt verderop in dit deel een eigen hoofdstuk.

Guppen voor een dagloon
De bond van 1930 kwam er niet uit het niets. Al rond 1908 waren, bijna tegelijk, in Amsterdam de vereniging Triton en in Rotterdam Anthony van Leeuwenhoek opgericht, en kleinere clubs volgden verspreid over het land. Goedkoop was de jonge liefhebberij allerminst: in 1911 kostte een paartje importguppen bij de noorderburen anderhalve Hollandse gulden, terwijl een arbeider er ƒ 10 à 15 per week verdiende. Wie dat omrekent, komt uit op ruwweg een dagloon voor twee visjes. En wie er zoveel voor overhad, wilde er begrijpelijkerwijs ook over kunnen lezen; het eigen blad hing als het ware al in de lucht.1
Intussen werd ook de techniek in de eigen taal gepionierd. In 1927 beschreef R.W. Dahmen von Buchholz, lid van het Eindhovense Vivarium, een aquariumverlichting met “2 parabolische reflectors, ieder voorzien van een 75-wattlampje”.1 Wie daar vandaag om glimlacht, vergeet dat iemand dit allemaal ooit voor het eerst in een Nederlands clubblad heeft moeten uitleggen.
Het eigen blad van de jonge bond kwam er meteen: in juni 1930 verscheen nummer één van Het Aquarium, en het sloeg aan.1 De oorlogsjaren legden alles stil, maar op 12 mei 1946 kwam in Utrecht de draad weer samen: 62 verenigingen, samen 3.140 leden, verenigden zich in de Nederlandse Bond Aqua Terra, kortweg NBAT. Wat volgde, waren gouden jaren. In oktober 1950 lokte een aquariumtentoonstelling in Diergaarde Blijdorp ruim 40.000 bezoekers. Sta daar even bij stil: veertigduizend mensen die in een dierentuin kwamen aanschuiven om naar goed ingerichte bakken te kijken, in een land waar glas kort daarvoor nog op de bon was geweest.2 En het papier van al die jaargangen is veiliggesteld: in 2022, zo meldt de bond, werd het volledige bladarchief gedigitaliseerd, ruim duizend edities van 1930 tot vandaag. Wie wil grasduinen in bijna een eeuw liefhebberij, kan dat voortaan vanuit de zetel.3

Het wonder in de woonkamer
In de geschiedschrijving van de bond duikt tussen de dragende auteurs van Het Aquarium in de jaren vijftig, naast H.C. Oskam, P.J. Merckels en A. Spoelstra, de naam Arend van den Nieuwenhuizen op.2 Boekhouder van beroep, en uitgegroeid tot de grote aquariumfotograaf van de Lage Landen. Met zijn Hasselblad maakte hij 6×6-dia’s die in zijn in memoriam “briljant” worden genoemd. Toen hij op 20 september 2015 overleed, liet hij een archief van zo’n 60.000 dia’s na, plus tientallen boeken, te beginnen met Exotische aquarium uit 1962, en de herinnering aan lezingen door heel Europa, in 1969 zelfs tot in de DDR.4
En toch is zijn grootste nalatenschap misschien wel een titel. Zijn artikelenreeks heette “Het wonder in de woonkamer”,4 en een betere samenvatting van wat de Lage Landen van deze kunst gemaakt hebben, ken ik niet. Wat hier tussen vier ruiten groeide, was in wezen een tuin: aangelegd, geplant, gesnoeid en bijgehouden, avond na avond, jaar na jaar, met het geduld waarmee een tuinman buiten zijn borders bijhoudt. De naam die deze school in dit boek meekreeg, de school van de tuinman, zat er dus van bij het begin in. Een tuin achter glas, midden in de woonkamer, voor wie ernaast in de zetel zat een klein, dagelijks wonder. Hoe die tuin er volgens de Nederlandse school precies moest uitzien, met welke regels, welke contrasten en vooral welke straatjes, dat is stof voor het volgende hoofdstuk.
Noten
- NBAT, “Geschiedenis aquariumliefhebberij en oprichting Nederlandse Bond Aqua Terra (deel 1)”, Nederlands, https://nbat.nl/geschiedenis-aquariumliefhebberij-en-oprichting-nederlandse-bond-aqua-terra-deel-1/ ↩
- NBAT, “Geschiedenis aquariumliefhebberij en oprichting Nederlandse Bond Aqua Terra (deel 2)”, Nederlands, https://nbat.nl/geschiedenis-aquariumliefhebberij-en-oprichting-nederlandse-bond-aqua-terra-deel-2/ ↩
- NBAT, “Het digitale archief Nederlandse Bond Aqua Terra”, Nederlands, https://nbat.nl/het-digitale-archief-nederlandse-bond-aqua-terra (alleen via zoekfragment geraadpleegd) ↩
- Het NCF-forum, “In memoriam Arend van den Nieuwenhuizen”, Nederlands, https://www.hetncf.nl/forum/viewtopic.php?t=996 ↩
Dit is hoofdstuk 3 uit De aquascapingwereld, het boek van Alexander Craen over de geschiedenis en de wereld van het aquascapen. Lees het voorwoord en de volledige inhoudsopgave.
© 2026 Alexander Craen / A.H.V. Rosaceus. Overname enkel met schriftelijke toestemming.


