Wabi-sabi onder water

De mostuin van Saihō-ji (Kokedera) met spiegelende vijver, Kyoto
De mostuin van Saihō-ji (Kokedera) met spiegelende vijver, Kyoto. Foto: Hyppolyte de Saint-Rambert, CC BY 4.0, via Wikimedia Commons

Er bestaat een simpele proef om te zien of een onderwaterlandschap uit de Japanse school komt: zoek de leegte. Ergens in de bak, dikwijls net naast het midden, ligt een zone waar niets staat. Geen plant, geen steen, alleen water en licht, hooguit een school visjes die er even doorheen schuift. Menige beginner krijgt van zoveel ongebruikte ruimte de kriebels. Ik heb zelf jaren de neiging gehad om elk vrij plekje vol te planten, want een gat in de beplanting voelde als een gat in mijn huishouden. De Japanse schikker laat dat gat met opzet open. Wie begrijpt waarom, begrijpt meteen de hele stijl.

Het Japanse Wikipedia-artikel over het Nature Aquarium omschrijft het genre als een aquarium dat, anders dan biotoopaquaria die een bestaand milieu zo letterlijk mogelijk nabootsen, natuurlijke elementen verbindt met artistieke expressie en de landschapsschoonheid van planten en materialen vooropstelt. In het buitenland, noteert datzelfde artikel er fijntjes bij, heet de stijl vaak “Japanese style” of “Zen style”, en soms wordt ze als een genre apart behandeld.1 Dat tweede etiket is gemakzuchtig, al wijst het in de goede richting: achter zo’n bak zit een kijkcultuur van eeuwen. Om ze te verstaan moet je een handvol Japanse woorden leren. Onvertaalbaar, stuk voor stuk, en net daarom de moeite.

De schoonheid van het onvolmaakte

Het eerste woord is wabi-sabi (侘び寂び), de schoonheid van het sobere, het onvolmaakte en het vergankelijke. Volgens hetzelfde Wikipedia-artikel is het Nature Aquarium sterk door dat begrip getekend, al zit er een eigenzinnige draai aan. Amano vertelde dat hij de wereld van wabi-sabi niet in theehuizen of tuinen had gevonden, wel in zijn eigen landschapsfoto’s: 「侘び寂びという世界は茶室や庭園ではなく、風景写真の中から見出していた」. Wabi-sabi was voor hem natuurlijke schoonheid in haar natuurlijke staat, iets wat je eerder voelt dan beredeneert.2

Sta daar even bij stil. De man die de Japanse aquariumstijl wereldberoemd maakte, haalde zijn esthetiek naar eigen zeggen niet uit de klassieke leerschool van theehuis en tempeltuin. Hij vond ze buiten, door zijn camera, in landschappen die niemand had aangeharkt. Wie met die bril naar een Japanse bak kijkt, ziet ineens waar al dat verweerde kienhout en al die bemoste steen vandaan komen. Niets in zo’n landschap oogt nieuw of gepoetst; alles mag oud zijn, gehavend, onderweg in zijn eigen vergaan. Het hout mag getekend zijn door de jaren, de steen mag dof en gegroefd zijn. Voor een liefhebber die zijn bak het liefst piekfijn ziet, is dat een bevrijdende gedachte: ook onder water mag iets de sporen van de tijd dragen. Sterker nog, in deze kijkcultuur zijn die sporen zelf de schoonheid.

Hoe diep dat woord in Amano’s bedrijf is doorgedrongen, lees je zo van de catalogus af: ADA verkoopt tot vandaag een productlijn die gewoon wabi-kusa (“wabi-gras”) heet.3 Een begrip uit de klassieke esthetica als merknaam op een hobbyproduct: probeer dat eens met een Nederlands woord voor schoonheid, het lukt je niet. Toegegeven, er zit handel in. Maar dat een firma zo’n woord op een doosje kan drukken zonder dat iemand in Japan de wenkbrauwen fronst, zegt genoeg over hoe vanzelfsprekend het begrip daar is.

Steen en mos in de zentuin van Ryōan-ji: verwering en slijtage als schoonheid
Steen en mos in de zentuin van Ryōan-ji: verwering en slijtage als schoonheid. Foto: Tedmoseby, CC BY-SA 3.0, via Wikimedia Commons

De ruimte die meespeelt

Het tweede woord is ma, het betekenisvolle “tussen”: de pauze die bij de muziek hoort, de stilte die de zin afmaakt. In de compositieleer heeft het een broertje, yohaku, de lege ruimte van het blad. Japanse gidsen over aquariumcompositie behandelen het openlaten van ruimte dan ook als een techniek op zich; ze koppelen de verdeling van vol en leeg aan de gulden snede die we bij de Hollandse school al zagen opduiken (ōgonhi, ongeveer één op 1,618) en aan de weg die het oog door het beeld aflegt.4

Het dominante compositietype in de Japanse school heet ōgata kōzu, de holle of concave compositie. Een Japanse studie van wedstrijdlay-outs vat het patroon droog samen: 「凹型構図は左右にボリュームを作り、中央に空間を作るスタイル」, “de concave compositie bouwt volume op links en rechts en schept ruimte in het midden”. Die lege waterkolom is het rustpunt van het beeld en meteen de sterkste dieptesuggestie die glas en water toelaten: het oog zakt erin weg en vult de verte zelf in.5

Bij ons thuis zou zo’n leeg midden al gauw doorgaan voor een bak die nog niet af is. In de Japanse kijkcultuur draagt de leegte evenveel als de beplanting errond; haal ze weg en het hele beeld valt plat, zoals een lied platvalt wanneer je alle rusten dichtspeelt. Het vraagt overigens lef om tegen een bezoeker te zeggen dat dat lege stuk het belangrijkste deel van de bak is. Toch is het zo, en sinds ik dat door heb, betrap ik mezelf erop dat ik bij een nieuwe opstelling eerst beslis waar ik niet zal planten. Dat klinkt eenvoudiger dan het is. Leegte laten staan vraagt meer zelfbeheersing dan volplanten; elke vierkante centimeter kale bodem voelt als een uitnodiging. Wie het volhoudt, merkt dat de bak groter lijkt dan hij is, want de verte die je suggereert, kost geen liter water extra.

Wabi-sabi onder water: verweerde stenen, deels overgroeid met mos en parelkruid, in een aquascape op de Vivariumbeurs 2024 in Rosmalen
Wabi-sabi onder water: verweerde stenen, deels overgroeid met mos en parelkruid, in een aquascape op de Vivariumbeurs 2024 in Rosmalen. Foto: Alexander Craen

De tuin achter het glas

Die manier van kijken is ouder dan het Nature Aquarium zelf. Toen in Japan in de jaren 1980 de eerste echte lay-outcultuur ontstond, rond pioniers die de Nederlandse plantenstijl hadden ingevoerd en die voor kunst in het water zelfs een eigen woord lanceerden, aqua-art, verscheen in 1983 het fotoboek The Green. Naast Hollandse plantenbakken stonden daar al composities in “die het ontwerp van de Japanse tuin binnenbrachten, met steen en kienhout als materiaal”.6 De tuin keek dus van bij het begin mee over de schouder van de Japanse aquariaan.

Japanse commentatoren plaatsen het Nature Aquarium dan ook uitdrukkelijk in de traditie van de Japanse tuinkunst. Eén van hen noemt Amano de eerste die de wereld van de Japanse tuin het aquarium binnenbracht, en spreekt van suichū zōen, onderwater-tuinarchitectuur. Dezelfde bron legt de brug naar bonsai en suiseki, de kunst van de miniatuurboom en die van de kijksteen: alle drie delen ze met het aquascapen het geloof dat één boom of één steen een volledig landschap kan oproepen.7

Uit die tuintraditie stamt ook shakkei, het “geleende landschap”: de techniek waarbij de tuinarchitect het landschap buiten de tuin in zijn compositie betrekt, zodat een berg aan de einder deel wordt van het ontwerp. In het aquarium gebeurt hetzelfde in het klein: de bak leent als het ware een uitsnede uit een groter, gesuggereerd landschap dat buiten het glas gewoon doorloopt, een berghelling, een oerwoudrand.8 Daarom voelt een goede Japanse bak nooit als een afgesloten doosje: je kijkt door een venster naar iets wat groter is dan het venster.

En dan is er de droge tuin, karesansui, waar stenen en geharkt grind samen water verbeelden zonder dat er één druppel aan te pas komt.9 Ik ken geen mooier spiegelbeeld van onze liefhebberij: de tuinmeester haalt het water weg en laat het je toch zien, de aquascaper giet het water er echt in en voltooit daarmee het landschap. Twee uitkomsten van precies dezelfde gedachte: wie geen vijver kan graven, harkt de golven in het grind, en wie geen berg in de tuin heeft, bouwt er een van steen achter glas.

Oud is die gedachte zeker. De Japanse tuinkunst kent handboeken sinds de Heian-periode; het beroemdste is het elfde-eeuwse Sakuteiki (“Aantekeningen over het aanleggen van tuinen”).10 Dat dat traktaat vandaag nog leeft, zal in het volgende hoofdstuk blijken.

Aangeharkt zandpatroon (ginshadan) bij de Zilveren Tempel Ginkaku-ji in Kyoto: golven zonder één druppel water
Aangeharkt zandpatroon (ginshadan) bij de Zilveren Tempel Ginkaku-ji in Kyoto: golven zonder één druppel water. Foto: Basile Morin, CC BY-SA 4.0, via Wikimedia Commons

Eerder voelen dan meten

Het laatste woord is meteen het diepste: shizen. Het woordenboek zegt “natuur”, maar in de Japanse esthetiek schuift de betekenis door naar natuurlijkheid, ongekunsteldheid: de kwaliteit van wat niet gemaakt lijkt. Hoe ingeburgerd dat kijkcriterium is, bewijst het jureringsblad van de grote internationale lay-outwedstrijd, waarop shizenkan no enshutsu (“het opwekken van natuurgevoel”) een afzonderlijk scoringsonderdeel is.11 Een jury die punten geeft voor natuurgevoel: in Japan kijkt daar niemand van op.

Wie uit dit alles besluit dat de Japanse school een streng leerboek is, met wabi-sabi als artikel één en shizen als slotbepaling, leest verkeerd. Het Japanse Wikipedia-artikel benadrukt uitdrukkelijk dat makers niet strak aan die principes gebonden zijn: het Nature Aquarium kent geen vaste beplantingsregels en laat de maker grote vrijheid.12 De woorden uit dit hoofdstuk zijn dan ook eerder namen voor een gevoeligheid dan artikelen van een reglement. Ze beschrijven hoe er gekeken wordt, lang voor er geplant wordt. Daarom werkt kopiëren hier ook zo zelden: je kunt een Japanse lay-out steen voor steen nabouwen en toch de ziel missen, omdat je onderweg de leegte hebt opgevuld en de slijtage hebt weggekuist.

Misschien is dat wel de kortste samenvatting: een Japanse bak ziet eruit zoals hij eruitziet omdat de maker anders gekeken heeft nog voor hij zijn handen nat maakte. Hij ziet leegte als draagvlak, slijtage als schoonheid, en zijn glazen bak als een venster op een landschap zonder randen. Wie dat eenmaal weet, kijkt nooit meer onbevangen naar een wedstrijdfoto: achter elke ogenschijnlijk simpele Japanse bak zit een reeks beslissingen over wat er wordt weggelaten. Toch is er één domein waarin die vrije sensibiliteit op de duur bijna een spraakkunst geworden is, met een eigen naam voor elke steen en zijn rol in het geheel. Daarover gaat het volgende hoofdstuk.

Noten

  1. Wikipedia, “ネイチャーアクアリウム” (Nature Aquarium), Japans, https://ja.wikipedia.org/wiki/ネイチャーアクアリウム ↩
  2. Wikipedia, “ネイチャーアクアリウム” (Nature Aquarium), Japans, https://ja.wikipedia.org/wiki/ネイチャーアクアリウム ↩
  3. Aqua Design Amano, “石材” (Steenmaterialen, productpagina lay-outstenen), Japans, https://www.adana.co.jp/jp/contents/products/materials/detail01.html ↩
  4. Poly-pterus, artikel over compositieleer (余白, gulden snede en blikgeleiding), Japans, https://poly-pterus.site/layout-composition01/ ↩
  5. Ordinary-Aquarium, statistische studie van IAPLC-toplay-outs 2001–2021, Japans, https://ordinary-aquarium.design/contest/iaplc-statistical-data ↩
  6. Wikipedia, “水草水槽” (Waterplantenaquarium), Japans, https://ja.wikipedia.org/wiki/水草水槽 ↩
  7. One Project, “Nature Aquariums” (artikel over Amano en de Japanse tuin, 26 sep 2013), Japans, https://one-project.biz/2013/09/26/nature-aquariums.html ↩
  8. Niwasora, pagina over 石組 (steenschikking) in de Japanse tuinkunst, Japans, https://niwasora.net/ishigumi/ ↩
  9. Japan Culture, artikel over 枯山水 (karesansui, de droge landschapstuin), Japans, https://jpnculture.net/karesansui-2/ ↩
  10. The Gate, artikel over de Japanse tuinkunst en haar steentradities, Japans, https://thegate12.com/jp/article/455 ↩
  11. IAPLC (世界水草レイアウトコンテスト), overzicht van de beoordelingscriteria, Japans, https://iaplc.com/j/judging_criteria/ ↩
  12. Wikipedia, “ネイチャーアクアリウム” (Nature Aquarium), Japans, https://ja.wikipedia.org/wiki/ネイチャーアクアリウム ↩

Dit is hoofdstuk 7 uit De aquascapingwereld, het boek van Alexander Craen over de geschiedenis en de wereld van het aquascapen. Lees het voorwoord en de volledige inhoudsopgave.

Wabi-sabi onder water

Weekly Popular