
Wij zijn als Rosaceus natuurlijk vooral een zoetwaterclub — daar ligt ons hart, bij onze bakjes en onze biotopen. Maar af en toe komt er nieuws van de zee binnen dat je gewoon móét delen. En dit is er zo eentje: amper 46 kilometer uit onze eigen kust is een visje opgedoken dat hier eigenlijk niet hoort. Een ringnekslijmvis — voor het eerst gezien in het Belgische deel van de Noordzee. Klein nieuws, letterlijk, want het beestje meet maar vijf centimeter. Maar het verhaal erachter is een stuk groter dan dat.
Een vondst bij toeval
Het mooie aan dit verhaal: niemand was er eigenlijk naar op zoek. Op 16 oktober 2025 voer het onderzoeksschip de Simon Stevin uit voor een campagne van het VLIZ, het Vlaams Instituut voor de Zee. Geen visexpeditie, wel gewoon onderhoud aan het sensornetwerk op zee — een soort permanent meetstation dat dag en nacht gegevens over onze Noordzee verzamelt.
Toen de onderzoekers bij het wrak de Garden City een meetframe van de zeebodem ophaalden, bleek daar een klein slijmvisje op mee te liften. Op het eerste gezicht leek het op onze vertrouwde gehoornde slijmvis (Parablennius gattorugine): zo’n typisch slijmvisje met kleine “hoorntjes” boven de ogen. Maar er klopte iets niet. “De tekening op de kop en de flanken paste niet”, en dat zette onderzoeker Bram Conings aan het twijfelen. Een nauwkeurige blik bevestigde het: dit was geen gehoornde slijmvis, maar een ringnekslijmvis — een soort die nog nooit eerder in onze wateren was gemeld.
Even tussendoor, voor wie het woord nog niet kent: een slijmvis (Engels: blenny) is een klein, langwerpig bodemvisje zonder schubben, met een gladde, “slijmerige” huid — vandaar de naam. Het zijn echte schuilzoekers die zich tussen rotsen en in spleten verstoppen. Sommige soorten kunnen zelfs een tijdje boven water overleven door zuurstof via hun huid op te nemen. Leuke, levendige beestjes om te observeren.
Hoe herken je hem?
De ringnekslijmvis draagt de mooie wetenschappelijke naam Parablennius pilicornis, in 1829 al beschreven door de Franse natuurvorser Cuvier. Die naam zegt eigenlijk precies wat je ziet. Blennius komt van het Griekse woord voor slijm — onze slijmvis dus. En pilicornis is Latijn voor “haarhoorn” (pilus = haar, cornu = hoorn): een knipoog naar die fijne, vertakte voelsprieten die als kwastjes boven de ogen staan.
Wil je hem onderscheiden van zijn neefjes, let dan op twee dingen:
- Het honingraatpatroon: bleke lijntjes op de kop en de wangen die een fijn netwerk vormen, een beetje als een honingraat.
- De voelsprieten: vorkvormige “hoorntjes” boven de ogen, meestal met een viertal vertakkingen.
Groot wordt hij niet. Het exemplaar uit de Noordzee was vijf centimeter; volwassen blijft de soort meestal rond de negen à tien centimeter steken. Een visje dat je dus makkelijk over het hoofd ziet — en dat maakt de vondst des te knapper.
Van de Middellandse Zee naar de Noordzee
En nu komt het interessante deel. Want wat doet een zuiders visje op 46 kilometer voor de Belgische kust? Van nature leeft de ringnekslijmvis in een stuk warmer water: de Middellandse Zee en de Atlantische kusten van Portugal, Spanje en Frankrijk. Sommige populaties zitten zelfs zo ver als Namibië, Brazilië en Zuid-Afrika. Onze koude Noordzee stond niet bepaald op zijn lijstje.
Toch schuift hij gestaag noordwaarts op. In het Verenigd Koninkrijk werd hij voor het eerst gezien in 2007, in Bigbury Bay in Devon. En vrijwel tegelijk met onze Belgische vondst werd hij ook in Nederlandse wateren opgemerkt, bij een wrakduik zo’n twintig kilometer uit de kust van Callantsoog. Stap voor stap, wrak na wrak, kruipt de soort onze richting uit.
“Ons hele ecosysteem schuift op”
Dat is geen toeval, en het is ook geen losstaand weetje. Bram Conings van het VLIZ vatte het kernachtig samen: “Ons hele ecosysteem is aan het opschuiven.” De Noordzee warmt op, en daardoor wordt het water net warm genoeg voor zuiderse soorten om mee naar het noorden te trekken. De ringnekslijmvis is daarbij geen uitzondering — denk ook aan de octopussen die de laatste jaren steeds vaker voor onze kust opduiken. Omgekeerd trekken koudwaterliefhebbers zoals de kabeljauw juist verder noordwaarts, weg van het warmer wordende water.
Eén detail vond ik bijzonder mooi om te weten. Slijmvissen hebben hard substraat nodig — rotsen, steen, iets om zich aan vast te zetten. En laat onze zandige Noordzeebodem nu net weinig van die harde plekken hebben. Maar wrakken en, jawel, de funderingen van windmolens vormen ondertussen een soort stapstenen: kunstmatige riffen waarlangs zulke soorten zich noordwaarts kunnen verplaatsen, dwars over die zandvlaktes heen. Dat dit slijmvisje uitgerekend op een meetframe bij een scheepswrak werd gevonden, is dus veelzeggend.
Waarom dit ons als aquarianen aangaat
Je zou kunnen zeggen: leuk, maar het is maar één visje, en het zwemt in zout water. Klopt. En toch raakt dit verhaal precies aan wat ons als liefhebbers drijft. Wij houden van het waterleven in al zijn vormen, en we volgen van dichtbij hoe biotopen veranderen. Een vijf centimeter klein slijmvisje dat plots 1.500 kilometer noordelijker opduikt dan zijn thuis, is een hele tastbare thermometer van wat er met onze zeeën gebeurt.
Het is ook gewoon een prachtig staaltje van wetenschap: dankzij dat permanente meetnet van het VLIZ — en het oplettende oog van een onderzoeker die zag dat “de tekening niet klopte” — krijgen we deze veranderingen in real time te zien. Voor wie geboeid is door de natuur achter onze hobby, is dat klein wonder meer dan de moeite waard.
En jij? Heb je zelf weleens een onverwachte gast gespot, in zee, in de gracht of in je eigen bak? Breng het verhaal gerust mee naar onze volgende ledenvergadering — we horen het maar al te graag.
— De website redactie
Bronnen: VLIZ — vliz.be · VRT NWS — vrt.be/vrtnws · Natuurpunt — natuurpunt.be · Wikipedia · FishBase
Foto: Matthieu Sontag (Mirgolth), via Wikimedia Commons — CC BY-SA 3.0


