• Home
  • Nieuws
  • De goerami die we kennen, en zijn reus die in Azië op het bord belandt

De goerami die we kennen, en zijn reus die in Azië op het bord belandt

Volwassen reuzengoerami (Osphronemus goramy) in een aquarium, met diamantvormig schubpatroon.
Foto: George Chernilevsky, Public domain via Wikimedia Commons

Bij Omroep Flevoland kwam onlangs een bericht voorbij dat mijn aandacht trok. Dierverzorger Sergei Abrahams van Almere Jungle vertelde er over zijn reuzengoerami’s, en zijn boodschap was simpel: dit zijn geen gewone vissen. Hun kanjer, een dier dat ze in het park liefkozend “Willy” noemen, is een goerami zoals wij die kennen uit ons huiskameraquarium, maar dan van een heel ander formaat. Waar onze goerami’s op de vergaderingen gerust in een handpalm passen, groeit die reus uit tot zeventig centimeter.

Dat contrast vond ik zo mooi dat het om een stukje vroeg. Want de goerami is voor veel van onze leden een oude bekende. Menig aquariaan bij Rosaceus is ooit begonnen met een koppeltje blauwe spatjes, en wie op onze tentoonstelling ronddwaalt, komt de familie in allerlei maten en kleuren tegen. Tijd dus om die hele familie eens langs te lopen, van het kleinste juweeltje tot de reus die in Azië op het bord belandt.

Eerst en vooral: wat maakt een goerami een goerami?

Goerami’s horen bij de labyrintvissen, in het Latijn de Anabantoidei. Die naam komt van hun geheime wapen: het labyrintorgaan. Dat is een sterk geplooid stukje weefsel boven de kieuwen, zo gevouwen dat het op een doolhof lijkt, en het zit vol bloedvaten. Daarmee kan de vis lucht happen aan het wateroppervlak en er de zuurstof rechtstreeks uit halen, zoals wij dat met onze longen doen.

Waarom die uitvinding? De meeste goerami’s komen uit ondiep, warm, vaak stilstaand water: rijstvelden, moerassen, dichtgegroeide sloten. In zulk water zit soms bijzonder weinig zuurstof. Een gewone vis krijgt het daar benauwd, maar de goerami stijgt gewoon even naar boven, hapt een teugje lucht, en zwemt weer verder. Precies daarom kunnen labyrintvissen ook een korte tijd buiten het water overleven, zolang ze vochtig blijven. Wie zijn goerami’s aan het oppervlak ziet happen, moet dus niet meteen schrikken: dat is doodgewoon gedrag, geen teken dat er iets mis is met de bak.

Datzelfde orgaan verklaart nog een tweede eigenaardigheid. Veel goerami’s bouwen een schuimnest: het mannetje blaast aan het oppervlak honderden luchtbelletjes, omhuld met wat speeksel, tot een drijvend vlot. Daaronder lokt hij het vrouwtje, en de eitjes worden tussen de bubbels bewaakt. De kempvissen, onze Siamese kempvis Betta splendens, doen precies hetzelfde en horen dan ook tot dezelfde grote familie. Ook de kleurige paradijsvis (Macropodus opercularis), een van de eerste tropische aquariumvissen die rond 1869 levend Europa haalde, bouwt zo’n nest. En helemaal in Afrika ontwikkelden de klimbaarzen (Ctenopoma) los daarvan net zo’n labyrint.

Onze goerami’s, één voor één

De dwerggoerami

Mannetje dwerggoerami (Trichogaster lalius) met de karakteristieke rood-blauwe strepen.
Foto: onbekend, Public domain via Wikimedia Commons

De dwerggoerami (Trichogaster lalius, vroeger Colisa lalia) is voor velen de eerste kennismaking. Het mannetje is een schilderijtje: schuine rode en blauwglanzende strepen over het hele lijf. Hij wordt amper zes tot zeven centimeter groot en past dus perfect in een gezelschapsbak van pakweg tachtig liter, met wat planten en een rustig oppervlak zodat hij zijn schuimnest kan bouwen. Hou het water warm, tussen 24 en 28 °C, en niet te hard. Het vrouwtje is grijzer en onopvallender, wat bij de kweek meteen handig is om de koppels uit elkaar te houden.

De honinggoerami

Mannetje honinggoerami (Trichogaster chuna) in oranjerode broedkleur.
Foto: Made be Uploader, CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons

Een naast familielid is de honinggoerami (Trichogaster chuna, vroeger Colisa chuna). In de winkel ligt hij er vaak wat bleek bij, maar zet een mannetje in broedstemming en hij kleurt op tot een warme honing- tot oranjerode gloed, met een donkere keel en buik. Ook een blijvertje van hooguit vijf centimeter, vreedzaam en verlegen, ideaal voor wie een rustige, kleine bak wil. Ons medelid Hubert Martens beschreef zijn kweekavonturen met de honing- en dwerggoerami al eerder; wie erin wil duiken, leest zijn kweekverslag van Colisa chuna en Colisa lalia nog eens na.

De diklipgoerami

Mannetje diklipgoerami (Trichogaster labiosa) met opvallend dikke lippen en oranje-blauwe tekening.
Foto: onbekend, CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons

De diklipgoerami (Trichogaster labiosa, vroeger Colisa labiosa) komt uit Myanmar en dankt zijn naam aan zijn opvallend dikke lippen. Het mannetje kleurt warm oranjerood met schuine blauwgroene banden. Het is een vis van een centimeter of acht die weinig eisen stelt en het bij ons al lang goed doet. Ons oud-lid ’n Ouwe Panchax beschreef hem eerder al op de website.

De knorgoerami

Knorgoerami (Trichopsis vittata) met slank lijf en puntig uitlopende, blauwviolet glanzende vinnen.
Foto: Ahsan_al_hidayat, CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons

En dan een goerami die je ook kunt horen. De knorgoerami (Trichopsis vittata) dankt zijn naam aan het krakende, knorrende geluidje dat hij maakt, luid genoeg om naast de bak op te vangen. Hij brengt het voort met snelle slagen van zijn borstvinnen, vooral wanneer twee mannetjes elkaar opmeten of tijdens de balts. Het is een slank visje van een centimeter of zeven met puntig uitlopende, blauwviolet glanzende vinnen. Hou hem in een rustige, dicht beplante bak met wat drijfplanten en weinig stroming, tussen 25 en 28 °C; in een kaal aquarium met veel beweging kruipt hij weg. Er bestaat ook een kleinere neef, de kleine of dwergknorgoerami (Trichopsis pumila), die met zijn drie en een halve centimeter tot de kleinste labyrintvissen hoort en minstens even luid knort.

De parel- of diamantgoerami

Parelgoerami (Trichopodus leerii) met parelmoerachtige stippen en oranje borst.
Foto: NasserHalaweh, CC BY-SA 4.0 via Wikimedia Commons

Wie iets groters wil, komt bij de parelgoerami of diamantgoerami (Trichopodus leerii) terecht, een van de mooiste vissen die je in een gezelschapsbak kunt zetten. Het hele lijf ligt bezaaid met parelmoerachtige stippen, en in broedtijd kleurt de borst van het mannetje diep oranjerood. Hij wordt zo’n twaalf centimeter en zwemt statig door een goed beplante bak. We hebben er op de website een aparte soortbeschrijving aan gewijd, want deze schoonheid verdient wat extra uitleg.

De driestreepgoerami: de blauwe spat en de gele goerami

Wildkleurige driestreepgoerami (Trichopodus trichopterus); de twee flankvlekken vormen samen met het oog de drie stippen.
Foto: Obsidian Soul, CC0 via Wikimedia Commons

En dan de vis waarmee zoveel van ons begonnen: de driestreepgoerami (Trichopodus trichopterus), in de volksmond gewoon de spat. De naam driestreep komt van de twee donkere vlekken op de flank die samen met het oog drie stippen op een rij vormen. Hij wordt een centimeter of tien à twaalf, is stevig en makkelijk te kweken, en komt in een handvol kleurvormen die wij in de hobby zowat als aparte vissen behandelen.

De bekendste is de blauwe spat, staalblauw met een vage marmertekening. Daarnaast heb je de gele of goudgoerami, dezelfde vis in een warm goudgeel kleedje, en de grover gemarmerde ‘cosby’-vorm. Genetisch is het allemaal Trichopodus trichopterus; het zijn kweekvormen van één soort. Onze webmaster Alexander begon zijn aquariumleven ooit met vier spatjes, twee blauwe en twee gele, en kweekte er in geen tijd een dertigtal bij; dat verhaal staat volledig uitgeschreven in zijn artikel over het Aziatisch biotoop.

De gele of goudgoerami, de goudgele kweekvorm van Trichopodus trichopterus.
Foto: Pharaoh Hound at English Wikipedia, CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons

Eén waarschuwing hoort erbij: de spat kan tegenover kleinere medebewoners weleens een baasje willen spelen.

De maanschijfgoerami

Maanschijfgoerami (Trichopodus microlepis), egaal zilvergrijs met lange draadvormige buikvinnen.
Foto: Greg Hume, CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons

De maanschijf- of maanlichtgoerami (Trichopodus microlepis) is de derde uit dit geslacht naast de parel en de spat. Hij glanst egaal zilvergrijs, alsof er maanlicht op valt, en heeft van die typische lange draadvormige buikvinnen waarmee goerami’s hun omgeving aftasten. Hij wordt zo’n vijftien centimeter, blijft vreedzaam en bouwt schuimnesten waar hij stukjes plant in verwerkt.

De slangenhuidgoerami

Gevangen slangenhuidgoerami (Trichopodus pectoralis) van ruim twintig centimeter naast een meetlat.
Foto: Bochr, CC BY-SA 3.0 via Wikimedia Commons

De slangenhuidgoerami (Trichopodus pectoralis) is de grootste van dit geslacht en groeit uit tot twintig à vijfentwintig centimeter. Zijn naam komt van de fijne, slangachtige tekening op zijn flank. In het aquarium is hij een rustige reus voor een ruime bak. In Thailand en Cambodja is hij vooral bekend van de markt: onder de naam sepat siam wordt hij gekweekt, gedroogd en gegeten, net zoals we straks bij zijn grootste neef zullen zien.

De kussende goerami

Twee kussende goerami's (Helostoma temminckii) met de monden tegen elkaar.
Foto: Lilbitmessy, CC BY-SA 4.0 via Wikimedia Commons

De kussende goerami (Helostoma temminckii) is de grappenmaker van het gezelschap. Twee dieren duwen soms minutenlang hun dikke lippen tegen elkaar, alsof ze staan te zoenen. Romantisch is het niet: het is een krachtmeting tussen twee vissen die uitmaken wie de baas is. Die vlezige, uitstulpbare lippen zitten vol kleine raspertandjes waarmee de vis algen van planten en stenen schraapt. Hou er rekening mee dat dit een flinke jongen wordt van rond de twintig tot dertig centimeter; in Zuidoost-Azië wordt ook hij trouwens gegeten.

De chocoladegoerami

Chocoladegoerami (Sphaerichthys osphromenoides), bruin met gele dwarsbanden.
Foto: Brian Gratwicke, CC BY 2.0 via Wikimedia Commons

Voor de doorbijters is er de chocoladegoerami (Sphaerichthys osphromenoides), een klein bruin juweeltje met gele dwarsbanden. Hij stelt hoge eisen: zacht, zuur, kraakhelder water op zwartwaterniveau, en hij is gevoelig voor schommelingen. Bijzonder is zijn kweekgedrag. Waar de meeste goerami’s een schuimnest bouwen, draagt dit vrouwtje haar eitjes gewoon in de bek tot de jongen uitkomen. Een echte muilbroeder onder de labyrintvissen, en een mooie uitdaging voor wie al wat ervaring heeft.

De prachtgoerami

Mannetje prachtgoerami (Parosphromenus), een klein zwartwaterjuweel met iriserende blauwe en rode vinnen.
Foto: Whentian Shi, CC BY 4.0 via Wikimedia Commons

Nog een trapje moeilijker is de prachtgoerami (Parosphromenus), in het Engels de licorice gourami. Deze visjes van drie à vier centimeter leven in het zwarte, roodbruine water van veenmoerassen op Borneo, Sumatra en het Maleisisch schiereiland. Zet een mannetje in broedstemming en het licht op met iriserende blauwe en rode vinnen. Ze vragen zacht, zuur water en veel geduld, iets voor wie van een echte uitdaging houdt. Verschillende soorten staan onder druk in het wild, en liefhebbers houden ze mee in stand via kweekprogramma’s.

Er zijn er nog meer, zoals de goudgele Cosby-goerami die Hubert in zijn kweekhoekje grootbracht. Wie de wetenschappelijke namen erbij haalt, merkt trouwens iets verwarrends: de kleine soorten die we jarenlang Colisa noemden, heten sinds een herindeling in 2009 Trichogaster, en de wat grotere die Trichogaster heetten, zijn nu Trichopodus. Onze oudere clubartikels gebruiken nog de vertrouwde namen, dus laat je niet in de war brengen; het gaat om dezelfde vissen.

De reus: van kweekvijver tot bord

En dan die reus uit het nieuwsbericht. De reuzengoerami (Osphronemus goramy) leeft in de trage rivieren, moerassen en rijstvelden van Zuidoost-Azië, van de Mekong en de Chao Phraya tot Borneo, Java en Sumatra. Hij wordt vijfenveertig tot zeventig centimeter groot en kan in gevangenschap gerust twintig jaar of ouder worden. Oude mannetjes krijgen een dikke bult op de kop, en net als zijn kleine neefjes bouwt hij een schuimnest en hapt hij lucht met zijn labyrintorgaan. Grotendeels is het een planteneter met een stevige eetlust, zo stevig dat men hem in Azië soms inzet om dichtgegroeide vijvers open te houden.

Precies die eetlust en dat formaat maken hem tot meer dan een kijkvis. In Indonesië, Maleisië en Thailand is de reuzengoerami een gewaardeerde consumptievis, gekweekt in vijvers, met stevig vlees dat gemakkelijk eet omdat het weinig graten telt. Op de markt is hij een van de meest gewilde zoetwatervissen, en hij wordt al eeuwenlang gekweekt. De goerami die bij ons rondjes zwemt in een verlichte bak, ligt aan de andere kant van de wereld op het bord.

Daar zit meteen de les uit het bericht van Almere Jungle. In de winkel wordt zo’n reuzengoerami weleens aangeboden als een schattig visje van een paar centimeter. Dat groeit binnen enkele jaren elk huiskameraquarium uit, en dan zit je met een dier van een halve meter dat eigenlijk een klein zwembad nodig heeft. Zo’n vis hoort thuis in een groot bassin of een dierenpark, waar bezoekers hem door een kijkvenster kunnen bewonderen zoals bij Willy in Almere. Voor onze huiskamer houden we het bij zijn kleine familieleden; die geven minstens evenveel plezier en passen wél in een gewone bak.

Kom eens kijken

De familie van de goerami’s is groot en dankbaar: van het rood-blauwe dwergje van zeven centimeter tot de reus van zeventig, allemaal met datzelfde labyrint dat hen zo eigen maakt. Heb je zelf ervaring met de kweek van dwerg-, honing- of parelgoerami’s, of een goede tip over het opzetten van een schuimnest? Kom er gerust over vertellen op een van onze vergaderingen. En wie de reus eens in het echt wil zien, weet nu waar Willy zwemt.

De website redactie

De goerami die we kennen, en zijn reus die in Azië op het bord belandt

Weekly Popular

Leave a Reply

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *